KenniscentrumZiekte/AandoeningNieren en urinewegen › Incontinentie › Urine-incontinentie bij kinderen

Urine-incontinentie bij kinderen

Ongewild urine-verlies

Urine-incontinentie is ongewild verlies van urine. Dit urine-verlies kan continu zijn of incidenteel. Tot de leeftijd een jaar of vier is het verliezen van urine bij kinderen normaal. Bij kinderen van deze leeftijd spreken we nog niet van urine-incontinentie. Een kind moet minstens 5 jaar oud zijn voordat diagnose incontinent gesteld kan worden. Dit heeft te maken met het voldoende ontwikkeld zijn van de blaas en het zenuwstelsel bij een kind.

Het komt veel voor

Urine-incontinentie overdag komt onder schoolkinderen vrij veel voor. Geschat wordt dat er in elke schoolklas gemiddeld twee kinderen zitten met deze klacht. Bedplassen komt nog vaker voor: bij 5 tot 10% van de schoolgaande kinderen en bij 0,5 tot 1% van de volwassenen.

Vormen en verschijnselen van urine-incontinentie

Niet-continu urineverlies

Dit is het verlies van (kleine of grote) hoeveelheden urine met daar tussenin droge perioden, gedurende de dag of de nacht. Deze vorm is vast te stellen als een kind wel zindelijk is geweest (controle over de blaas) of vanaf 5-jarige leeftijd. 

Continu urineverlies

Dit is continu, ononderbroken urineverlies van druppels. Hierbij is bijna altijd sprake van een anatomische aanlegstoornis, zoals een verkeerd uitmondende urineleider of een beschadiging van de sluitspier.

Nachtelijke urine-incontinentie

Dit wordt ook wel enuresis nocturna of bedplassen genoemd. Het gaat hierbij om het verlies van een hele plas (inhoud van de blaas) tijdens de slaap.

Oorzaken  van urine-incontinentie

Overactieve blaas  (OAB)

Hierbij is de blaas overactief. Het kenmerk van een overactieve blaas is urgency: een plotseling onverwacht opkomende aandrang om te plassen. Urge-incontinentie (drang-incontinentie) komt vaak voor bij kinderen met een overactieve blaas, maar dit is niet noodzakelijk voor de aandoening.

Dysfunctional voiding  (DV) (disfunctioneel plassen)

Als tijdens het plassen onbewust de bekkenbodemspieren worden aangespannen is er sprake van Dysfunctional voiding. Dit levert een kenmerkend plaspatroon op (de wijze waarop de blaas geleegd wordt). Een uroflowmetrie kan dit geregistreren. Incontinentie kan optreden door een verminderd blaasgevoel. Doordat het kind de blaas niet goed leeg plast, zijn er vaak steeds terugkerende urineweginfecties.

Hypo-actieve blaas (HAB)

Vroeger werd een hypo-actieve blaas ook wel een 'luie blaas' genoemd. De blaas is na het overmatig aanspannen van de bekkenbodemspieren uiteindelijk slecht functionerend geworden. Het kind voelt de mate van blaasvulling niet goed meer. Urineverlies treedt op door overloop van de te volle grote blaas. Plassen lukt alleen nog door te persen of op de blaas te duwen. Er blijft vaak een behoorlijke hoeveelheid urine achter in de blaas, waardoor terugkerende urineweginfecties optreden.

Giechel-incontinentie

Dit is een zeldzame vorm van incontinentie, waarbij de blaas zich geheel leegt, uitsluitend tijdens een hevige lachbui. De blaasfunctie is verder normaal. Gedacht wordt dat tijdens het lachen een signaal wordt afgegeven door de hersenen waardoor de blaas zich ledigt.

Vaginale reflux

Bij meisjes die zindelijk zijn maar binnen tien minuten na een plas kleine beetjes urine verliezen, kan er sprake zijn van vaginale reflux. Tijdens het plassen wordt een kleine hoeveelheid in de schede geplast, die er na opstaan van het toilet weer uitloopt doordat er geen sluitspier is.

Blaasontstekingen

Bij een blaasontsteking kan de blaas instabiel worden, waardoor er urineverlies kan optreden. Urineonderzoek kan een blaasontsteking aantonen.

Obstipatie en/of ontlastingsverlies

Ontlastingsproblemen staan sterk in verband met urine-incontinentie. Wanneer er sprake is van obstipatie kan er door druk van het uitgezette rectum op de blaas urine-incontinentie optreden. Zie ook obstipatie

Detrusor-sfincter-dyssynergie

De sluitspier van de urinebuis trekt tegelijk samen met de blaas, waardoor de straal vermindert. Hierbij is er altijd sprake van een zenuwaandoening, waardoor de signalen niet goed overkomen.

Urge-incontinentie

Dit is aandrang die gepaard gaat met urineverlies. Het komt vaak voor bij kinderen met een overactieve blaas.

Bedplassen (enuresis)

Tijdens de slaap vindt blaaslediging plaats zonder dat er verder afwijkingen aan de urinewegen zijn. Meestal wordt dit veroorzaakt door een verstoorde ontwaakreflex. Deze wordt vanzelf beter als het kind ouder wordt.
Bij 5-jarigen is sprake van bedplassen als het kind 2x of meer per week nat is. Voor 7-jarigen geldt de norm van 1x of meer per maand. Bij hardnekkige of bijkomende problemen kan de kinderarts hulp bieden.

Diagnostiek

Het vragen stellen over de klachten (anamnese) en lichamelijk onderzoek zijn erg belangrijk voor een arts bij het zoeken naar de oorzaak en de juiste behandelingen. Hierbij kunnen onderstaande methoden ingezet worden

Plaslijst/poepdagboek

Er zal altijd gevraagd worden om een plaslijst (mictielijst)en/of poepdagboek bij te houden om goed inzicht te krijgen in het drink-plaspatroon en voor het poepen inzicht in de frequentie en consistentie

Uroflowmeter

Informatie over de manier van plassen krijgt de kinderarts door het kind te laten plassen op een uroflowmeter. Daarna wordt met behulp van echografisch onderzoek gekeken of er nog urine in de blaas is achtergebleven en hoeveel dit is. De uroflowmeter is een plasstoel voor kinderen, waarbij ze in de goede houding kunnen zitten en hun plas wordt opgevangen en gemeten. De meting geeft inzicht in de volgende zaken:
  • de hoeveelheid urine;
  • de kracht van de straal;
  • de manier waarop het kind plast;
  • in hoeverre de blaas goed is leeg geplast.

Urine-onderzoek en echografie

Urine-onderzoek en soms echografie van de nieren en de blaas kunnen helpen de oorzaak van de urine-incontinentie te vinden. Bestaat het vermoeden van anatomische afwijkingen, dan kan aanvullend röntgenonderzoek nodig zijn of een bezoek aan de kinderuroloog.

Behandeling

Aan de hand van de diagnose krijgen ouders en kind eerst uitleg over:
  • een normale en afwijkende blaasfunctie;
  • een goede toilethouding;
  • een normaal plas- en drinkpatroon;
  • en adviezen hoe dit te beïnvloeden.
Het ontlastingspatroon krijgt ook veel aandacht, omdat dit sterk verband kan houden met plasproblemen. Zo nodig worden medicijnen voorgeschreven die het ontlastingspatroon verbeteren. Een eventuele blaasontsteking wordt behandeld met antibiotica.

Heeft het kind een overactieve blaas, dan krijgt het soms medicijnen om de blaas wat 'rustiger' te maken. Dit vermindert de plotselinge aandrang, waardoor de plas wat langer in de blaas kan blijven en er minder ongelukjes zijn.
Het is belangrijk om de verschillende maatregelen gelijktijdig te starten. De meeste ziekenhuizen, bieden een training aan om kind en ouders te ondersteunen in deze problematiek. Ook het Slingeland Ziekenhuis kan een dergelijke ondersteunende therapie (urotherapie) bieden, in samenwerking met een bekkenfysiotherapeut

De pipopoli

Het Slingeland Ziekenhuis heeft een PIPO-poli. Dit is een speciale polikliniek voor kinderen met plas- en incontinentieproblemen (pi) en/of poep (po)-problemen. Kinderen met plasproblemen komen op het plas-spreekuur. Er wordt een intake gedaan door de urotherapeut. Tijdens de volgende combinatieafspraak, bij de kinderarts en de urotherapeut, wordt de diagnose gesteld en het behandeltraject bepaald. De begeleiding wordt afhankelijk van de diagnose gestart door de kinderbekkenfysiotherapeut of door de urotherapeut.

Meer informatie

 

Literatuur

  • Richtlijn urine-incontinentie bij kinderen (onder auspiciën van Ned. Vereniging voor Urologie en Ned. Vereniging voor Kindergeneeskunde).
  • ICCS (International Children's Continence Society)
  • Incontinentie bij kinderen; een handboek voor de praktijk. Groeneweg e.a. 2012.



Deel deze pagina: